Verklaring van Bahá‘í International Community: Egypte dreigt de laatste wettelijke mogelijkheid voor registratie van bahá’í-huwelijken af te sluiten
Arabische vertaling
DEN HAAG, 4 mei 2026 – De Bahá’í International Community (BIC) spreekt haar diepe bezorgdheid en grote teleurstelling uit over een recente uitspraak van het Egyptische Hof van Cassatie. Door een eerdere uitspraak ten gunste van een Egyptisch bahá’í-echtpaar, dat al meer dan 45 jaar getrouwd is, te vernietigen, dreigt elke wettelijke mogelijkheid voor bahá’ís in Egypte om erkenning door de overheid van hun huwelijk te verkrijgen, te worden afgesloten.
De BIC is bezorgd dat het Hof van Cassatie van Egypte de erkenning van bahá’í-huwelijken heeft teruggedraaid, waarmee de juridische erkenning van bahá’í-huwelijken onmogelijk wordt gemaakt
Deze zaak volgt op de decennialange, onvermoeibare inspanningen van vertegenwoordigers van de Bahá’í-gemeenschap om de al lang bestaande weigering van huwelijksregistratie aan bahá’í-echtparen aan te kaarten. In 2017, op advies van ambtenaren van het Egyptische Ministerie van Justitie om de zaak voor de rechter te brengen, en met de mededeling dat een gunstige rechterlijke uitspraak de enige juridische mogelijkheid was om huwelijksregistratie te verkrijgen, spanden meerdere echtparen rechtszaken aan. In 2020 bracht het echtpaar dat 45 jaar getrouwd was hun zaak voor de familierechtbank van Heliopolis, die in hun voordeel oordeelde. De rechtbank oordeelde destijds dat de staat verplicht was hun huwelijk te erkennen en een certificaat af te geven dat de verbintenis bekrachtigde.
De ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie gingen vervolgens in beroep tegen deze uitspraak, zelfs buiten de wettelijk voorgeschreven termijn. Toen het beroep op deze procedurele gronden werd verworpen, werd de zaak voorgelegd aan het Hof van Cassatie, ondanks het advies van de officier van justitie om het beroep af te wijzen. Op 27 januari 2026 aanvaardde het Hof de zaak echter alsnog, omdat het oordeelde dat deze betrekking had op de “openbare orde” en daarmee de procedurele overwegingen terzijde schoof.
Het Hof van Cassatie gaf de ministeries gelijk en oordeelde dat het bahá’í-huwelijk van het echtpaar niet door de staat erkend kon worden. Deze uitspraak dreigt een verstrekkend precedent te scheppen dat in feite alle resterende juridische mogelijkheden voor bahá’í-echtparen om erkenning van hun huwelijk te verkrijgen, uitsluit. Het classificeren van een dergelijke kwestie als een zaak van “openbare orde” roept ook ernstige zorgen op over de aanhoudende en verergerende religieuze discriminatie van een vreedzame religieuze minderheid die al meer dan 150 jaar een integraal onderdeel van de Egyptische samenleving vormt.
De tegenstrijdigheid die aan deze omkering ten grondslag ligt, roept ook vragen op over het handelen van overheidsinstellingen.
Waarom verwezen ambtenaren van het Ministerie van Justitie bahá’ís eerst naar de rechter als oplossing, om vervolgens, in samenspraak met het Ministerie van Binnenlandse Zaken, te proberen dit vonnis te laten vernietigen? De ministeries hebben later ook soortgelijke zaken aangespannen tegen andere bahá’í-echtparen. Hun handelen is in strijd met de beginselen van rechtszekerheid, een eerlijk proces en de rechtsstaat, en botst met de grondwettelijke verplichtingen van Egypte ten aanzien van gelijkheid en menselijke waardigheid.
De uitspraak is geen op zichzelf staand incident: het maakt deel uit van een steeds ernstiger wordend patroon. Sinds 2021 is bij ten minste vier bahá’í-gezinnen de officieel geregistreerde burgerlijke staat op hun nationale identiteitsdocumenten willekeurig teruggezet naar ‘ongehuwd’, na administratieve richtlijnen. Artikel 134 van de Notariële Richtlijnen verbiedt bovendien nog steeds de registratie van burgerlijke huwelijken tussen bahá’ís die in het buitenland zijn gesloten.
Als, zoals blijkt uit de uitspraak van het Hof van Cassatie, de verplichting van de staat om de vrijheid van godsdienst of overtuiging te respecteren beperkt is tot de “drie hemelse religies”, de Islam, het Christendom en het Jodendom, welke weg bestaat er dan voor Egyptische bahá’ís of andere minderheidsreligies of niet-gelovigen om hun fundamentele rechten op te eisen?
Egyptische bahá’ís vormen een integraal onderdeel van de samenleving en worden geacht gelijk te zijn voor de wet; toch worden hen vandaag de dag al hun fundamentele rechten ontzegd, waaronder het recht om voor de wet te trouwen en een gezin te stichten.
Hoe kan het genieten van fundamentele burgerrechten afhangen van iemands religie – in plaats van van het principe van gelijk burgerschap? De Egyptische president Abdel Fattah el-Sisi heeft deze rechten herhaaldelijk in openbare verklaringen bevestigd. Maar het gebrek aan overeenstemming tussen deze woorden en de daden van de Egyptische regering legt de diepgewortelde vooroordelen binnen de staatsinstellingen bloot, die het meest evident zijn in het geval van de onschuldige en vervolgde Bahá’í-gemeenschap.
De Bahá’í-gemeenschap in Egypte is al decennialang geduldig en heeft consequent blijk gegeven van een bereidheid tot constructieve samenwerking met de autoriteiten om praktische oplossingen voor deze problemen te vinden.
In 2009 oordeelde een rechtbank bijvoorbeeld dat bahá’ís het veld ‘religie’ op hun identiteitskaart mochten overslaan en in plaats daarvan een streepje (–) kregen, om discriminatie door malafide ambtenaren of instanties te voorkomen. Bahá’ís kregen bovendien herhaaldelijk de verzekering dat kwesties zoals huwelijksregistratie, toegang tot begraafplaatsen en andere essentiële burgerlijke zaken in de loop der tijd zouden worden opgelost.
De realiteit is echter precies het tegenovergestelde. Het streepje is een negatief symbool geworden, in plaats van een oplossing voor het probleem. De registratie van huwelijken bevindt zich in een juridisch vacuüm, bahá’ís worden gedwongen de stoffelijke resten van hun dierbaren in één overvolle begraafplaats te proppen, en de Bahá’í International Community ontvangt steeds meer meldingen van toegenomen surveillance, intimidatie en ondervraging door veiligheidsdiensten, waarbij sommige agenten zelfs vrienden en buren van bahá’ís bedreigen. Dit alles wijst op een situatie die verslechtert – niet verbetert.
De gevolgen van dit beleid zijn ernstig en verstrekkend. Zonder wettelijke registratie van het huwelijk worden Egyptische bahá’ís fundamentele rechten ontzegd, waaronder toegang tot pensioenen, erfrechtregelingen, gezinsregistratie, gezamenlijke ziektekostenverzekering, verblijfsrecht voor niet-Egyptische partners en het doorgeven van de Egyptische nationaliteit aan de volgende generatie. Het recht om een gezin te stichten – en te genieten van de wettelijke bescherming die het gezinsleven biedt – is een van de meest fundamentele mensenrechten. Het ontzeggen hiervan aan bahá’ís in Egypte is een ernstig onrecht dat bedoeld is om de toekomst van de Bahá’í-gemeenschap te verstikken.
De Bahá’í International Community neemt met waardering kennis van de recente verklaringen van de Hoge Commissaris van de VN voor de Mensenrechten en zes speciale rapporteurs van de Verenigde Naties, evenals de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie, waarin de aanhoudende discriminatie van bahá’ís door de Egyptische regering wordt veroordeeld. Deze verklaringen zijn verder bekrachtigd door de Amercan Commission for International Religious Freedom (USCIRF) en het Egyptian Initiative for Personal Rights (EIPR). De Bahá’í International Community waardeert de voortdurende steun van vele andere Egyptische en internationale maatschappelijke organisaties die zich al decennia solidair verklaren met de bahá’ís. Hun betrokkenheid blijft van vitaal belang voor het herstel van de fundamentele mensenrechten van de Egyptische bahá’ís.
In haar landenrapport van april 2026 over Egypte stelt USCIRF: “Het beleid van de Egyptische overheid inzake nationale identiteitskaarten blijft burgerlijke en sociale barrières opwerpen voor leden van de Bahá’í-gemeenschap.” USCIRF voegt hieraan toe: “Bahá’ís werden uitgesloten en niet uitgenodigd om deel te nemen aan de lopende Nationale Dialoog van de overheid gedurende 2025.”
Bahá’í International Community, samen met bahá’ís wereldwijd, roept de Egyptische autoriteiten op hun grondwettelijke en internationale verplichtingen na te komen. De overheid moet een duidelijk en rechtvaardig mechanisme instellen – zoals de aanstelling van bevoegde notarissen – om de registratie van huwelijken voor Egyptische burgers van het Bahá’í-geloof mogelijk te maken. Daarnaast moet zij elk van de andere kwesties met de nodige spoed aanpakken.
Egyptische bahá’ís streven niet naar een speciale behandeling: ze streven naar gelijkheid en het volledig genieten van de rechten die alle burgers in hun thuisland toekomen.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:
- Karlijn van der Voort, woordvoerder Bahá’í-gemeenschap Nederland, karlijn.vandervoort@bahai.nl, 0641044872
- Saba Haddad, Representative, Geneva, shaddad@bic.org, +41783082219 (English & Arabic)
- Rachel Bayani, Principal Representative, New York, uno-nyc@bic.org, +12128032519 (English, French, German)


