Iraanse bahá’í-vader schrijft vanuit de gevangenis een verjaardagsbrief aan zijn eenjarige kind, waarin hij zijn hoop en dienstbaarheid aan Iran uitspreekt te midden van de toenemende arrestaties
Perzische vertaling
DEN HAAG, 9 juli 2026 – Een bahá’í-vader die gevangen zit in Shiraz heeft vanuit de Adelabad-gevangenis een ontroerende brief geschreven aan zijn eenjarige kind.
De brief biedt een zeldzame en pijnlijke inkijk in de menselijke tol van de aanhoudende vervolging van de bahá’ís door Iran, en in de toewijding van de bahá’ís in Iran aan dienstbaarheid, vooruitgang en welvaart van hun thuisland.
Pejman Zare, een bahá’í die in Shiraz woont, werd op 15 maart gearresteerd nadat veiligheidsagenten zijn huis hadden doorzocht en persoonlijke bezittingen, elektronische apparaten en religieuze boeken in beslag hadden genomen.
Ook de woning van zijn vader werd doorzocht en de volgende dag vielen agenten de werkplek van de heer Zare binnen en arresteerden zijn zakenpartner. Wekenlang had zijn familie vrijwel geen informatie over zijn verblijfplaats of toestand. Hoewel zijn familie later werd gevraagd om borg te betalen en daaraan voldeed, werd hij niet vrijgelaten en werden er nieuwe beschuldigingen tegen hem geuit.
Vanuit de quarantaineafdeling van de Adelabad-gevangenis in Shiraz heeft de heer Zare een brief geschreven aan zijn kind, Radvin, ter gelegenheid van diens eerste verjaardag. “Vandaag is het de tweeënnegentigste dag dat ik onterecht gevangenzit vanwege mijn geloof in het Bahá’í-geloof en mijn pogingen om bij te dragen aan de vooruitgang van mijn vaderland, het heilige land Iran,” schreef hij.
De brief is tegelijkertijd een verontschuldiging van een vader, een gewetensverklaring en een liefdesverklaring aan Iran. Meneer Zare vertelt zijn kind dat hij gedurende het eerste levensjaar van Radvin zijn verantwoordelijkheden als vader niet heeft kunnen nakomen, en voegt eraan toe: “Tweeënnegentig dagen lang ben je van de aanwezigheid van je vader verstoken geweest.” Toch legt hij ook uit dat zijn afwezigheid verbonden is met een grotere verbintenis: “Het doel van ons allen als Iraniërs is de vooruitgang, ontwikkeling en welvaart van ons geliefde land. Iran heeft een stralende toekomst, maar die toekomst ontdekken we niet – die bouwen we zelf op.”
“Deze brief laat een diepe indruk achter op het geweten van ieder rechtvaardig mens”, aldus Simin Fahandej, vertegenwoordiger van de Bahá’í International Community (BIC) bij de Verenigde Naties in Genève. “Geen enkel kind zou zijn eerste verjaardag hoeven te vieren terwijl een ouder onterecht gevangen zit. Geen enkele familie zou hoeven te smeken om informatie over hun dierbaren, om toegang tot medicijnen of om te vragen om fundamentele mensenrechten. De brief van Pejman Zare herinnert ons eraan dat de bahá’ís van Iran niet op zoek zijn naar confrontatie, maar naar een bijdrage; niet naar verdeeldheid, maar naar eenheid; niet naar privileges, maar naar de mogelijkheid om bij te dragen aan de vooruitgang van hun vaderland.”
In de brief beschrijft de heer Zare hoe ondervragers hem ervan beschuldigden een “harteloze vader” te zijn omdat hij standvastig bleef in zijn overtuigingen. Maar hij schrijft dat zelfs in de gevangenis andere gevangenen “volharding in het nastreven van nobele idealen, de waarheid en de vooruitgang van ons geliefde Iran” als iets bewonderingswaardigs en respectabels beschouwden.
“De brief van Pejman Zare staat in schril contrast met de beschuldigingen over zijn behandeling door de Iraanse autoriteiten”, aldus mevrouw Fahandej. “Ondanks het wrede onrecht dat hij en vele anderen hebben doorstaan, schrijft deze man vanuit de gevangenis over opoffering, dienstbaarheid en het bouwen van een betere toekomst voor Iran. Zijn enige zogenaamde ‘misdaad’ is dat zijn toewijding aan de vooruitgang van Iran onlosmakelijk verbonden is met zijn geweten en zijn geloof.”
De zaak van de heer Zare is een van de vele recente arrestaties, detenties en gevangenzettingen van bahá’í’s in Iran.
In Kerman wordt Shakila Ghasemi, een 26-jarige bahá’í, al meer dan vijf maanden onder zware druk en in isolatie gehouden zonder dat er formele aanklachten tegen haar zijn ingediend. Aanvankelijk zat ze in eenzame opsluiting in een detentiecentrum van de Revolutionaire Garde (IRGC), voordat ze werd overgebracht naar de gevangenis van Kerman, waar ze in isolatie werd gehouden. De afgelopen weken zou ze onderworpen zijn aan toenemende psychologische druk, waaronder herhaalde dreigingen dat ze binnen enkele minuten gegeseld zou worden – dreigingen die urenlang werden herhaald en ernstig emotioneel leed veroorzaakten.
“Een jonge vrouw die in een klaslokaal zou moeten zitten, zit in plaats daarvan achter de tralies, om geen andere reden dan haar geloof,” zei mevrouw Fahandej. “De fysieke en mentale ontberingen die ze heeft doorstaan, maken deel uit van een patroon dat bedoeld is om individuen te breken en een hele religieuze minderheid te intimideren, waarvan de leden zich altijd hebben ingezet voor de verbetering van hun land.
Vandaag is het 30 dagen geleden dat Parsa Najafi, een 20-jarige bahá’í, werd gearresteerd. Hij bracht zijn twintigste verjaardag in voorarrest door, nadat hij was opgepakt door het Ministerie van Inlichtingen van Isfahan.
Parsa Najafi werd op 6 juni 2026 gearresteerd na een inval van agenten van het Ministerie van Inlichtingen in zijn ouderlijk huis in Isfahan. Hij zit nog steeds vast zonder dat er officieel aanklachten tegen hem zijn ingediend. Zijn familie heeft ondanks uitgebreide inspanningen slechts twee korte bezoekjes aan hem mogen brengen. Tijdens het tweede bezoek leek Parsa in een zeer benarde psychische en emotionele toestand te verkeren. Hij werd onder druk gezet om valse bekentenissen af te leggen voor televisie-uitzendingen en was gewaarschuwd dat weigering zou leiden tot ernstigere gevolgen en verhoogde druk. Parsa’s advocaat heeft geen toegang gekregen tot het dossier en heeft geen zinvolle gelegenheid gehad om zijn cliënt te ontmoeten. De gevangenisautoriteiten hebben de advocaat laten weten dat Parsa “niet in staat is om bezoek te ontvangen”, zonder verdere uitleg over zijn situatie te geven. Er bestaan ernstige zorgen over zijn fysieke en psychische welzijn, de mogelijkheid van afgedwongen bekentenissen en de beperkingen op zijn recht om een advocaat naar eigen keuze te raadplegen.
In Mashhad zit Vafa Kashefi, een 32-jarige bahá’í, nog steeds vast in de quarantaineafdeling van de Vakilabad-gevangenis, bijna drie maanden na zijn herarrestatie, ondanks dat hij de gevraagde borgtocht heeft betaald. Hij wordt nog steeds vastgehouden zonder dat hem formeel is meegedeeld welke aanklachten er tegen hem zijn ingediend.
Ook in Mashhad zit Navid Zarrehbin Irani, een fotograaf en bahá’í, nog steeds vast in de Vakilabad-gevangenis, bijna zes maanden na zijn arrestatie, zonder dat hij op de hoogte is gesteld van de aanklachten tegen hem. Tijdens zijn detentie is hij onderworpen aan zware psychologische druk, is hem de toegang tot een advocaat naar keuze ontzegd en hebben noch hij, noch zijn familie en advocaat toegang gekregen tot zijn dossier. Navid staat bij zijn kennissen bekend om zijn sterke sociale vaardigheden en positieve omgang met anderen. Ironisch genoeg heeft juist deze eigenschap geleid tot disciplinaire maatregelen en herhaalde overplaatsingen tussen verschillende afdelingen van de gevangenis.
In Teheran zit Artin Ghazanfari, een beeldend journalist en schrijver, nog steeds vast in de Grote Gevangenis van Teheran (Fashafouyeh), bijna zes maanden na zijn arrestatie, zonder dat er formeel een aanklacht tegen hem is ingediend. Ondanks zorgen over zijn fysieke gesteldheid en het feit dat hij aan meerdere medische aandoeningen lijdt, zijn verzoeken om vrijlating op borgtocht tot nu toe afgewezen.
Deze gevallen weerspiegelen een breder patroon waarbij bahá’ís worden gearresteerd, een eerlijk proces wordt ontzegd, medische zorg wordt onthouden, in eenzame opsluiting worden gehouden en worden uitgesloten van tijdelijke vrijlatingen die aan andere gevangenen worden verleend tijdens perioden van nationale crisis. In een recent geval, toen de familie van een bahá’í-gedetineerde verlof aanvroeg, werd hen verteld dat “geen enkele bahá’í-gevangene zal worden vrijgelaten”.
“De Islamitische Republiek heeft herhaaldelijk geprobeerd bahá’ís af te schilderen als buitenstaanders in hun eigen land”, aldus mevrouw Fahandej. “Maar de brief van Pejman Zare geeft stem aan een waarheid die al generaties lang bekend is: bahá’í houden van Iran. Ze hebben geleden voor het welzijn van Iran, Iran gediend en blijven werken aan een toekomst waarin alle Iraniërs in waardigheid, rechtvaardigheid en vrede kunnen leven.”
In zijn brief schrijft de heer Zare dat elke Iraniër op de een of andere manier bijdraagt aan de opbouw van de toekomst van het land: “sommigen met hun leven, sommigen met hun bezittingen, sommigen door gevangenschap, en anderen door dienstbaarheid en constructieve volharding.” Hij vertelt Radvin dat zelfs zijn kind “al een deel van die prijs heeft betaald”, omdat het al tweeënnegentig dagen zonder zijn vader heeft moeten leven.
De Bahá’í International Community roept de Iraanse autoriteiten op om Pejman Zare, Shakila Ghasemi en alle bahá’ís die uitsluitend vanwege hun geloof gevangenzitten, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; een einde te maken aan het gebruik van eenzame opsluiting, dwang, bedreigingen, marteling en afgedwongen bekentenissen; en gedetineerden toegang te garanderen tot contact met familie en dringende medische zorg.
De heer Zare besluit zijn brief met een gebed voor de toekomst van zijn kind: dat Radvin mag groeien “intellectueel, fysiek en spiritueel”, een “ware dienaar van de mensheid” mag worden en op een dag “de zegeningen van rechtvaardigheid in ons heilige vaderland Iran” mag ervaren.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met
- Karlijn van der Voort, woordvoerder Bahá’í-gemeenschap Nederland, karlijn.vandervoort@bahai.nl, 06 41044872
- Simin Fahandej, Representative to the United Nations, Geneva, geneva@bic.org, +41227985400 (Engels & Perzisch)
- Rachel Bayani, Principal Representative to the United Nations, New York, uno-nyc@bic.org, +19297870437 (Engels, Frans, Duits)








