Staatsdiefstal tegen de bahá’ís: van contant geld en trouwringen tot kinderspeelgoed
Perzische vertaling
DEN HAAG, 28 augustus 2026 – Iraanse overheidsagenten klommen over de muren van gezinswoningen, arresteerden ouders terwijl hun tweejarige kind toekeek, namen muziekinstrumenten af, doorzochten bloempotten en zakken rijst, zonder bevel, aanklacht of reden, en bestormden huizen van bahá’ís en stalen hun persoonlijke bezittingen in zeven verschillende provincies. In sommige gevallen arriveerden veertien agenten, vijf auto’s en een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie om het huis van een vrouw binnen te vallen en haar te arresteren. De reden die aan elk van hen werd gegeven was volkomen duidelijk: u bent een bahá’í.
Tussen 22 en 25 augustus, in minder dan een week tijd, veranderden Iraanse autoriteiten in het hele land huizen werkplekken van bahá’ís in het toneel van arrestaties en inbeslagname. Auto’s, persoonlijke sieraden, contant geld, computers, professionele apparatuur, muziekinstrumenten, huishoudelijke artikelen en zelfs kinderspeelgoed werden in beslag genomen. In één geval werden de bezittingen van een gezin in hun eigen koffers gestopt en meegenomen.
Elf personen werden gearresteerd terwijl families toekeken hoe agenten hun bezittingen meenamen. Bij een van de vele razzia’s namen agenten de auto van een gezin in beslag, samen met waardevolle spullen en gereedschap; bij een andere razzia namen ze muziekinstrumenten en machines in beslag voordat ze het bedrijf van de familie verzegelden. De inbeslagname en arrestaties vonden plaats zonder arrestatiebevel. Dit zijn niet zomaar huiszoekingen. Het zijn operaties waarbij de staat op illegale wijze bezittingen, bestaansmiddelen en economische zekerheid afneemt.
“Dit is staatsdiefstal bij klaarlichte dag, het stelen van persoonlijke bezittingen van individuen in naam van de overheid”, aldus Simin Fahandej, de vertegenwoordiger van de Bahá’í International Community (BIC) bij de Verenigde Naties in Genève. “Het feit dat een overheid je huis binnendringt en je sieraden, trouwringen en andere persoonlijke bezittingen in beslag neemt, maakt het nog niet legaal. De Iraanse overheid steelt al bijna vijf decennia bezittingen van bahá’ís in naam van de staat, maar voor eigen gebruik. Het nu opvoeren van deze diefstal in een toch al moeilijk economisch klimaat is niets anders dan een poging tot de economische ondergang van bahá’ís. De diefstal moet nu stoppen.”
Naast de plunderingen, invallen en diefstallen van persoonlijke bezittingen werden elf mensen gearresteerd of gevangengezet, waaronder degenen die waren opgeroepen om hun bestaande straf uit te zitten. Deze laatste golf van arrestaties, invallen en inbeslagname maakt deel uit van een steeds intensievere campagne van vervolging tegen de bahá’ís, die het afgelopen jaar is verdubbeld en duizenden bahá’í-gezinnen in heel Iran heeft getroffen.
Bij de recente incidenten in Isfahan vielen meer dan twintig agenten in burgerkleding tegelijkertijd de huizen van drie leden van de familie Tebyanifard binnen. Ze doorzochten de huizen en uitten fysieke en gewelddadige bedreigingen in het bijzijn van een tweejarig kind.
Gewapende agenten verbonden de telefoons van het gezin met computers ter plaatse en zetten gegevens over, waarna ze laptops, contant geld, sieraden, een professionele camera en een verzameling handgemaakte muziekinstrumenten in beslag namen, waaronder een piano, viool, setar, cello, kamancheh, gitaar en klarinet. De muziekwinkel van het gezin werd vervolgens verzegeld.
De zaak is exemplarisch voor de absurditeit van de vervolging: muziekinstrumenten in beslag genomen zonder bevelschrift of enige vorm van wettigheid, en het levensonderhoud van een gewoon gezin effectief verwoest en gecriminaliseerd omdat de personen bahá’í zijn.
“Het misbruik van staatsmacht om bahá’í-gezinnen te onteigenen is schandalig, omdat dezelfde autoriteiten die de eigendommen in beslag nemen ook de rechtbanken, veiligheidsdiensten en mechanismen controleren die beslissen over de teruggave van die eigendommen, terwijl bahá’ís, aan wie al fundamentele burger- en sociale rechten worden ontzegd, weinig zinvolle mogelijkheden hebben om zich daartegen te verzetten”, aldus mevrouw Fahandej. “Persoonlijk en familiespaargeld, voertuigen, huisraad, professionele apparatuur, muziekinstrumenten en zelfs kinderspeelgoed zijn afgenomen. Juist de macht van de staat, die burgers en hun eigendommen zou moeten beschermen, wordt gebruikt om hen te onteigenen.”
De economische gevolgen zijn verwoestend. Bahá’ís worden al uitgesloten van universitair onderwijs en banen in de publieke sector, maatregelen die erop gericht zijn de gemeenschap economisch volledig te vernietigen. De staat ontneemt bahá’í-gezinnen ook hun bescheiden bestaan, dat ze in de loop der decennia hebben opgebouwd. Jarenlang werk kan in één klap teniet worden gedaan. De schade verspreidt zich vervolgens over hele gezinnen, echtgenoten, kinderen, bejaarde ouders en andere afhankelijken – waardoor huishoudens financieel kwetsbaar, economisch verlamd en met weinig middelen achterblijven om te herstellen wat de staat hen heeft afgenomen.
De inbeslagname is de meest recente uiting van een decennialang beleid van economische vervolging. Sinds 1979 hebben de Iraanse autoriteiten systematisch bahá’í-huizen, landbouwgrond, bedrijven en ander bezit geconfisqueerd, waarbij ze rechtbanken en overheidsinstanties gebruiken om een religieuze gemeenschap, die de staat weigert te erkennen, te onteigenen.
De afgelopen jaren hebben de autoriteiten steeds vaker artikel 49 van de Iraanse grondwet ingeroepen – een bepaling die de staat in staat stelt vermogen terug te vorderen onder vage voorwendsels – om de volkomen rechtmatige huizen, grond, bedrijven, voertuigen en bankrekeningen van bahá’ís te confisqueren. Er is nooit enig bewijs of wettelijke grondslag geleverd voor deze confiscaties, huiszoekingen en arrestaties. Eigendommen die in beslag zijn genomen op grond van artikel 49 kunnen worden overgedragen via de Uitvoering van het Bevel van Imam Khomeini (EIKO, of Setad), een instantie die onder direct gezag staat van de Iraanse Opperste Leider. Duizenden eigendommen van bahá’ís zijn de afgelopen veertig jaar geconfisqueerd of onteigend. Bahá’ís hebben herhaaldelijk tevergeefs geprobeerd via de rechter genoegdoening te krijgen, waardoor families nu gedwongen zijn hun eigendommen terug te vorderen van dezelfde overheidsinstellingen die verantwoordelijk zijn voor de confiscatie.
“De internationale gemeenschap roept de Iraanse regering op een einde te maken aan het misbruik van staatsmacht om de bezittingen, eigendommen en bestaansmiddelen van bahá’ís in beslag te nemen. Deze schandelijke praktijken, die al decennialang plaatsvinden, moeten stoppen. De regering moet in plaats daarvan haar meest heilige plicht vervullen: haar burgers beschermen, hun rechten waarborgen en hun huizen en eigendommen veiligstellen,” aldus mevrouw Fahandej.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:
- Karlijn van der Voort, Woordvoerder Nederlandse Bahá’í-gemeenschap,, karlijn.vandervoort@bahai.org, 0641044872
- Simin Fahandej, Representative to the United Nations, Geneva, geneva@bic.org, +41 22 798 5400 (English & Persian)
- Rachel Bayani, Principal Representative to the United Nations, New York, uno-nyc@bic.org, +12128032519 (English, French, German)
Achtergrondinformatie
- Het huis van Kayhan Atefi en zijn vrouw, Fereshteh Rahmani, een bahá’í-echtpaar uit Isfahan, en de werkplek van meneer Atefi werden op 24 augustus voor de tweede keer in enkele maanden tijd doorzocht. Agenten doorzochten het pand meer dan zes uur lang voordat ze een televisie, sieraden, gereedschap, de auto van het gezin en zelfs het speelgoed van hun kleinkind in beslag namen.
Toen mevrouw Rahmani bezwaar maakte tegen de inbeslagname van de spullen, zeiden de agenten: ‘Dit zijn verboden bezittingen’, en voegden eraan toe: ‘Jullie hebben er de eerste keer niets van geleerd. Jullie hebben je geloof niet bekeerd!’
- Amin Tebyanifard, zijn moeder Bahariyyeh Askarinasab en zijn zoon Nima Tebyanifard – drie generaties van één bahá’í-familie in Isfahan – kregen op 24 augustus te maken met een huiszoeking door meer dan twintig agenten. Machines en handgemaakte muziekinstrumenten werden in beslag genomen in de werkplaats van de familie, en hun winkel werd verzegeld. Het tweejarige kind van Nima Tebyanifard was aanwezig tijdens de huiszoeking. De familieleden werden vervolgens opgeroepen om zich te melden bij de inlichtingendiensten of de rechterlijke macht.
- Fakhereh Zahedi, een bahá’í-huisvrouw uit Sari, en Shima Sanaie, een bahá’í-verkoopster van hygiëneproducten, werden beiden op 22 augustus gearresteerd door agenten van het Ministerie van Inlichtingen en overgebracht naar het detentiecentrum “Keshoui” van de inlichtingendienst in Sari. Ongeveer 14 agenten en een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie waren aanwezig bij de arrestaties. De getoonde arrestatiebevelen gaven alleen toestemming voor huiszoekingen, niet voor arrestaties. De aanklachten tegen beide vrouwen zijn nog onbekend.
- Twaalf bahá’ís uit Sari werden op 20 augustus veroordeeld tot een gezamenlijke gevangenisstraf van 26 jaar en 165 dagen en 76 jaar ontneming van sociale rechten, op beschuldiging van het “uitvoeren van educatieve en propagerende activiteiten” in verband met het Bahá’í-geloof. De zaak was sinds 2024 bij drie verschillende rechtbanken in behandeling.
- Arsalan Yazdani, een bahá’í, grafisch ontwerper uit Karaj, werd op 22 augustus in zijn huis gearresteerd in het bijzijn van zijn twee kinderen. De arrestatie vond plaats om een gevangenisstraf van drie jaar ten uitvoer te leggen, nadat agenten zonder gerechtelijk bevel de apparaten van hem en zijn vrouw in beslag hadden genomen. De straf vloeit voort uit een veroordeling in 2021 voor “lidmaatschap van de perverse bahá’í-sekte” en “propaganda tegen het regime”.
- In Sari en de wijdere provincie Mazandaran werden tussen 22 en 23 augustus minstens vijf bahá’í-vrouwen binnen enkele dagen na elkaar gearresteerd of ondervraagd. Agenten kwamen het huis van mevrouw Soraya Manouchehrzadeh binnen zonder bevel, en minstens twee andere vrouwen werden gearresteerd op grond van een bevel dat alleen toestemming gaf voor huiszoeking. Mevrouw Negar Badiee, een lerares Engels, en mevrouw Maral Rowshani, die hygiëneproducten verkoopt, werden beiden ondervraagd over de vraag of zij hun beroep hadden gebruikt om het Bahá’í-geloof te “propageren”.
- Sarir Moghen en haar ouders, Jila en Vahid Moghen, bahá’ís uit Isfahan, werden op 25 augustus het doelwit van een huiszoeking door veiligheidsagenten. Daarbij werd dochter Sarir, die onlangs vanuit het buitenland naar Iran was teruggekeerd, gearresteerd. Er is geen informatie bekendgemaakt over de reden voor de huiszoeking of de gronden voor Sarirs arrestatie.
- Iman Rashidi, een bahá’í uit Yazd, werd op 23 augustus in hechtenis genomen nadat hij zich bij het Enforcement of Judgments Office had gemeld om een gevangenisstraf van drie jaar, zes maanden en één dag uit te zitten. Hij was ook veroordeeld tot vijftien jaar ontneming van sociale rechten en een boete van 371 miljoen rials. Zijn zaak dateert uit 2023, toen inlichtingenagenten zijn huis doorzochten, eigendommen in beslag namen en hem arresteerden.
Bron: https://www.bic.org/news/state-theft-against-bahais-personal-cash-and-wedding-rings-childrens-toys





