Qatar deporteert vier bahá’ís en hun gezinsleden in nieuwste religieuze zuiveringsactie
Arabische vertaling
DEN HAAG, 26 augustus – De discriminatie van de vreedzame bahá’í-minderheid in Qatar heeft deze week een grimmige wending genomen met het nieuws over de onrechtmatige en onrechtvaardige deportatie van twee prominente bahá’ís uit Qatar en de aanstaande deportatie van twee anderen.
De vier personen, van wie de namen op dit moment niet openbaar gemaakt mogen worden, vervullen of hebben vrijwillige administratieve functies bekleed binnen instellingen die zich inzetten voor het welzijn van de Bahá’í-gemeenschap in Qatar. Hun deportatie is een aanval van de Qatarese autoriteiten op de bahá’í-gemeenschap en volgt op de deportatie van Wahid Bahji vorig jaar en de intimidatie en detentie van Remy Rowhani – in een tijd waarin de meeste Arabische buurlanden religieuze tolerantie en co-existentie in hun samenlevingen omarmen.
“Mijn hart breekt nu ik me voorbereid om het land te verlaten dat ik mijn hele leven mijn thuis heb genoemd,” vertelde een van de bahá’í’s aan de Bahá’í International Community (BIC), op voorwaarde van anonimiteit.
Er zijn geen officiële documenten afgegeven voor de deportaties en de vier bahá’í’s werd slechts mondeling meegedeeld dat het een kwestie van “openbare orde” betreft, zonder verdere uitleg.
De vier hebben samen zes gezinsleden en wonen opgeteld al 162 jaar in Qatar.
Alle inwoners en burgers van Qatar zijn verplicht zich te registreren via een smartphone-app van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, waarmee ze toegang krijgen tot overheidsdiensten en administratieve zaken kunnen regelen. De vier bahá’ís hebben al enkele weken geen toegang tot het gedeelte van de app over verblijfsvergunningen. Toen ze probeerden het probleem op te lossen, kregen ze mondeling te horen dat hun verblijfsvergunningen werden ingetrokken en dat ze het land moesten verlaten.
Het ontbreken van officiële uitzettingsdocumenten betekent dat deze personen hun zaak niet kunnen opvolgen bij de Qatarese autoriteiten, geen asiel in het buitenland kunnen aanvragen of hulp kunnen vragen aan internationale mensenrechtenorganisaties.
“We zijn diepbedroefd en verontwaardigd dat deze vier bahá’ís – van wie bijna allen hun hele leven in Qatar hebben gewoond, en hun families al generaties lang – op zo’n brute manier worden verdreven en onteigend”, aldus dr. Saba Haddad, vertegenwoordiger van Bahá’í International Community bij de Verenigde Naties in Genève. “Qatar is hun enige thuis, en ze hebben er decennialang alles voor gegeven, bijgedragen aan de samenleving, bedrijven opgebouwd en de volgende generatie opgeleid.”
“Het op deze schandelijke manier uitzetten van deze vier personen uit Qatar, zonder enige officiële documentatie, zal hun leven, het leven van hun zes gezinsleden en honderden mensen in het hele land die met hen verbonden zijn, verwoesten”, aldus dr. Haddad.
Twee van de bahá’ís, een echtpaar, hebben twee schoolgaande kinderen en twee bejaarde, zwakke en gehandicapte ouders. De ouders zijn al gedwongen het land te verlaten en zijn daardoor gescheiden van hun dochter en primaire verzorger.
“Het pijnlijkste aan vertrekken is de wetenschap dat ik van mijn ouders gescheiden zal worden,” zei deze persoon. “Ik was degene die hen naar hun doktersafspraken bracht, voor hen zorgde wanneer ze me nodig hadden en ervoor zorgde dat het goed met ze ging. En nu is een van mijn grootste angsten dat ik er niet zal zijn wanneer ze me het hardst nodig hebben.”
De moeder van een van de vier kinderen – die ernstig slechtziend is en constante medische zorg nodig heeft – is ook gedwongen Qatar te verlaten omdat haar verblijfsvergunning, die door haar zoon wordt gesponsord, niet langer kan worden gehandhaafd. En een neef van deze persoon, wiens vader is overleden en begraven in Qatar, zal zijn belangrijkste kostwinner verliezen als zijn oom wordt uitgezet.
De afgelopen vijftien jaar zijn meer dan twintig bahá’í-gezinnen, bestaande uit ongeveer honderd mensen, gedwongen Qatar te verlaten in het kader van een aanhoudende campagne van de overheid om de bahá’ís uit het land te verdrijven. Beloftes van functionarissen om deze gevallen op te lossen zijn loze beloften gebleken.
“Dergelijke gruwelijke deportaties zijn onverenigbaar met de jarenlange dienst die de bahá’ís aan Qatar hebben bewezen”, aldus dr. Haddad. “Het dwingen van ouderen en zieken tot ballingschap is bovendien in tegenspraak met de door Qatar geuite toewijding aan de zorg voor gezinnen, ouderen en mensen met een beperking. Vooroordelen en misverstanden van sommige Qatarese functionarissen hebben het beleid zodanig beïnvloed dat individuen en deze gezinnen nu ernstig worden getroffen.”
“We hopen dat de Qatarese autoriteiten deze maatregelen zullen heroverwegen en deze kwestie met rechtvaardigheid en mededogen zullen oplossen,” voegde ze eraan toe.
De betreffende bahá’í vertelde de BIC over het moment waarop overheidsfunctionarissen mondeling kennis gaven van de deportatie: “Hoe neem je afscheid van een plek die je hele leven omvat? Hoe accepteer je dat een plek waarvan je nooit had gedacht dat je die zou moeten verlaten, misschien niet langer een plek is waar je ooit nog naar terug kunt keren?”
“Qatar zal altijd mijn thuis blijven, waar het leven me ook brengt,” voegde de persoon eraan toe. “Een deel van mijn hart, mijn jeugd, mijn herinneringen en mijn leven zullen daar altijd blijven. Vertrekken is niet alleen afscheid nemen van een land: het voelt alsof ik afscheid neem van een heel leven.”
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met
- Karlijn van der Voort, Woordvoerder Nederlandse Bahá’í-gemeenschap, karlijn.vandervoort@bahai.nl, 0641044872
- Saba Haddad, Representative, Geneva, shaddad@bic.org, +41783082219 (Engels, Arabisch)
- Rachel Bayani, Principal Representative, New York, uno-nyc@bic.org, +12128032519 (Engels, Frans, Duits)



